Rechtspraak Redactionele analyse
Een fout in de bewijsregel maakt een schadevergoeding nog niet ongedaan
- Instantie
- Hoge Raad
- Uitspraakdatum
- 16 oktober 2026
- Vindplaats
- ECLI:NL:HR:2026:1682 ↗
Een cassatieklacht kan juridisch juist zijn en toch geen vernietiging opleveren. Voor een huurder die na een jarenlange procedure schadevergoeding kreeg wegens de sluiting van zijn café, maakte dat op 16 oktober 2026 het verschil. De Hoge Raad corrigeerde het oordeel van het hof over de bewijslast, maar liet de uitkomst in stand. De verhuurder had een concrete bewijsroute prijsgegeven en een andere verklaring voor het omzetverlies onvoldoende onderbouwd. Naar ons oordeel toont deze zaak waarom procederen over bewijs niet alleen draait om de vraag wie moet bewijzen, maar ook om wat partijen met de geboden mogelijkheden doen.
Een café onder een later gerealiseerd appartement
De huurder exploiteerde sinds 1994 een café op de begane grond en in de kelder van een pand. De verhuurder realiseerde op de eerste verdieping een appartement. In 2002 schakelde hij de Milieudienst West-Holland in vanwege geluidsoverlast vanuit het café. Er volgde een last onder dwangsom. Toen maatregelen ter voorkoming van overlast uitbleven, werd het café in mei 2006 gesloten. Daarna ontstond een langdurig geschil over de gevolgen voor de huurder.
In de hoofdzaak was de verhuurder veroordeeld tot vergoeding van de schade die de huurder door de sluiting had geleden als gevolg van het tekortschieten van de verhuurder in zijn huurverplichtingen. De omvang van die schade moest vervolgens in een schadestaatprocedure worden vastgesteld. Dat is een afzonderlijke fase waarin aansprakelijkheid niet op ieder onderdeel opnieuw ter discussie staat, maar de schade en het verband met de vastgestelde tekortkoming nog wel concrete beoordeling vergen.
Aansprakelijkheid en schadeomvang vragen verschillende onderbouwing
De huurder vorderde in de schadestaatprocedure, voor zover in cassatie van belang, €831.974,83. Dat is het gevorderde bedrag dat de Hoge Raad vermeldt, niet een in dit arrest nieuw toegekende schadevergoeding. De kantonrechter wees de vordering af. Ook bij het gerechtshof Den Haag had de huurder aanvankelijk geen succes. Na een eerdere vernietiging door de Hoge Raad in 2022 kwam de zaak bij het gerechtshof Amsterdam. Daar werd uiteindelijk wel schadevergoeding toegewezen.
Deze voorgeschiedenis verklaart waarom de bewijsdiscussie zo belangrijk bleef. De constatering dat een verhuurder is tekortgeschoten, vult niet automatisch de jaarrekeningen, omzetontwikkeling en alternatieve oorzaken van de schade in. Een huurder moet zijn schadeposten met de relevante feiten verbinden. Omgekeerd kan een verhuurder niet volstaan met het noemen van iedere denkbare andere oorzaak. Een bruikbaar verweer moet voldoende concreet zijn om de rechter daadwerkelijk aan het gestelde verband te laten twijfelen.
De verklaringen over zachtere muziek waren van betekenis
De huurder stelde dat het muziekvolume in het café door de problemen aanzienlijk moest worden verlaagd en dat daardoor het bezoek en de omzet terugliepen. Het hof betrok daarbij verklaringen van twee voormalige werknemers. Die waren later een ander café schuin tegenover het gehuurde begonnen. Zij verklaarden onder meer over het zachtere volume en het teruggelopen bezoek. Het hof vond de betwisting door de verhuurder, mede in het licht van die verklaringen, onvoldoende onderbouwd.
Dat betekent niet dat een getuigenverklaring over sfeer of muziek vanzelf een financiële schadeberekening bewijst. De betekenis ervan is beperkter en preciezer: zulke verklaringen kunnen een feitelijke schakel ondersteunen tussen veranderde exploitatieomstandigheden en teruglopende klandizie. In deze procedure waren zij onderdeel van een groter dossier. Wie de uitspraak vertaalt naar een andere huurzaak, moet daarom steeds onderscheid maken tussen de oorzaak van omzetverlies en de berekening van het bedrag dat daarmee gemoeid is.
De verhuurder wees op concurrentie en veranderde belangstelling
De verhuurder voerde twee alternatieve verklaringen aan. Schuin tegenover het café was een concurrerend café geopend. Daarnaast zou het publiek op de bestaande gelegenheid zijn uitgekeken. Het hof liet de verhuurder toe te bewijzen dat het omzetverlies in de periode 2002–2006 het gevolg was van de opening van het concurrerende café. Daarbij behandelde het hof die alternatieve oorzaak als een stelling waarvan de verhuurder de bewijslast droeg.
Juist dat laatste was juridisch onjuist. De Hoge Raad stelde voorop dat de huurder volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv het gestelde causale verband moest bewijzen. De verhuurder betwistte dat verband door andere oorzaken aan te wijzen. Hij kreeg daardoor niet automatisch de bewijslast van die oorzaken. Het gaat hier om een wezenlijk verschil tussen het onderbouwen van een verweer en het dragen van het bewijsrisico wanneer feiten onzeker blijven.
Waarom de geslaagde klacht toch niet tot vernietiging leidde
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijsregel gegrond waren, maar dat de verhuurder daarbij geen belang had dat tot cassatie kon leiden. Voor de concurrentieverklaring was hij immers al toegelaten tot bewijslevering. Hij zag daarvan af toen bleek dat het andere café niet in 2002, maar in 2004 was geopend. Het hof mocht dat volgens de Hoge Raad opvatten als het prijsgeven van die bewijsroute.
Voor de andere verklaring, dat het publiek op het café was uitgekeken, ontbrak voldoende concrete onderbouwing. Het hof hoefde de verhuurder op dat punt daarom niet alsnog tot tegenbewijs toe te laten. De juiste algemene regel over de bewijslast redde dus geen verweer dat op het ene onderdeel was verlaten en op het andere onderdeel te algemeen bleef. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. De voor de huurder gunstige uitkomst bij het hof bleef daarmee in stand.
De concrete bijdrage van Alistair Knol
Alistair Knol van Salomons Beelaerts Advocaten stond de huurder bij in cassatie. Volgens het arrest diende de huurder een verweerschrift tot verwerping in en werd zijn zaak door zijn advocaat toegelicht. De bijzondere procespositie was dat een juridisch onjuiste bewijsregel van het hof niet zonder meer verdedigd hoefde te worden om de uitkomst te behouden. Het cassatieberoep strandde op de betekenis die de concrete procesgang voor het belang bij de klachten had.
Dat is een inhoudelijk waardevol resultaat: de huurder behield zijn toegewezen schadevergoeding ondanks de correctie van het bewijsrechtelijke oordeel. Het openbare arrest vermeldt niet welke passages uit het verweerschrift precies tot die afweging hebben bijgedragen. Wij schrijven de argumentatie van de Hoge Raad daarom niet woordelijk aan Knol toe. Zijn vastgestelde bijdrage betreft de verdediging en toelichting van de positie van de huurder in deze cassatieprocedure, waarin verwerping werd bereikt.
Het beste tegenargument verdient een serieus antwoord
Voor de verhuurder was het bezwaar tegen de bewijslastverdeling niet gezocht of kansloos. De Hoge Raad gaf hem op dat juridische punt gelijk. Een huurder die schadevergoeding verlangt, kan de bewijslast van causaliteit niet eenvoudig bij de verhuurder neerleggen door alle andere oorzaken als zelfstandig te bewijzen feiten te behandelen. Een artikel dat alleen meldt dat de verhuurder verloor, zou dat belangrijke tegenargument tekortdoen.
Toch is ons oordeel dat de uitkomst begrijpelijk laat zien waarom cassatie geen losstaand tentamen bewijsrecht is. Een procedure heeft een geschiedenis. De manier waarop stellingen zijn onderbouwd, bewijs is aangeboden en geboden kansen zijn benut, blijft relevant. Het aanwijzen van een fout moet de procespartij ook kunnen helpen. Dat vereiste beschermt wederpartijen tegen een nieuwe ronde die, gelet op de feitelijke procespositie, niets aan de uitkomst kan veranderen.
Fictief voorbeeld: een technische fout zonder resterend bewijsbelang
Het volgende voorbeeld is fictief en staat los van het café uit de uitspraak. Een winkelier verlangt vergoeding van omzetverlies omdat zijn verhuurder een contractuele verplichting niet is nagekomen. De verhuurder wijst op een nieuwe winkelketen in dezelfde straat. De rechter behandelt dat verweer ten onrechte alsof de verhuurder de volledige oorzaak van het verlies moet bewijzen. Hij mag wel getuigen horen over de opening van die keten. Vervolgens ziet hij daarvan af, omdat zijn eigen stukken laten zien dat de keten pas veel later openging. Daarnaast blijft hij algemeen stellen dat de winkel niet meer populair was, zonder concrete feiten te noemen. In een vervolgprocedure kan de verhuurder gelijk krijgen over de abstracte bewijslastregel, terwijl zijn aanval op de uitkomst toch niet slaagt. Zijn proceskeuzes en onvoldoende onderbouwde andere stelling zijn daarmee niet verdwenen.
Checklist bij schade door problemen met een gehuurd bedrijfspand
- Scheid de vastgestelde tekortkoming van de afzonderlijk te onderbouwen schadeposten.
- Maak een tijdlijn van beperkingen, omzetcijfers, sluiting en andere relevante gebeurtenissen.
- Benoem welke stukken iedere schakel in het gestelde causale verband ondersteunen.
- Werk alternatieve oorzaken concreet uit en controleer vooral de juiste data.
- Leg vast waarom een aangeboden getuigenverhoor wel of niet wordt benut.
- Beoordeel een fout in de bewijsregel samen met het resterende belang bij een nieuwe beslissing.
- Maak in communicatie onderscheid tussen het gevorderde bedrag en de daadwerkelijk toegewezen schade.
Onze conclusie: bewijsrecht vereist ook procesdiscipline
Deze zaak verdient aandacht omdat de huurder zijn resultaat behield in een procedure waarin de Hoge Raad wel degelijk een juridische fout aanwees. Dat is geen uitzondering op de hoofdregel over bewijslast. Het is een toepassing van het vereiste dat een klacht de partij daadwerkelijk moet kunnen baten. De feiten waarop een verweer steunt, moeten daarvoor nog een zinvolle rol in de procedure kunnen spelen.
Voor huurders en verhuurders is de les praktisch. Zorg dat de financiële onderbouwing en de tijdlijn overeenstemmen. Noem geen concurrent als verklaring zonder diens openingsdatum te controleren. Verlaat een bewijsroute niet zonder de gevolgen te overzien. En kijk bij cassatie niet alleen naar een onjuiste overweging, maar ook naar de vraag wat een juiste overweging nog aan de uitkomst zou kunnen veranderen. Het door Knol verdedigde resultaat maakt precies dat onderscheid zichtbaar.
Bronnen en beroepsgegevens: Hoge Raad 16 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1682, met name rov. 2.1–2.3 en 3.1–3.4; Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854, de eerdere cassatie; kantoorprofiel Alistair Knol, uitsluitend voor beroeps- en contactgegevens.
Veelgestelde vragen
Kreeg de verhuurder juridisch gelijk over de bewijslast?
Ja. De Hoge Raad oordeelde dat de huurder de bewijslast van het causale verband droeg. De verhuurder kreeg niet automatisch de bewijslast van de feiten waarmee hij dat verband bestreed.
Waarom verloor hij dan toch zijn cassatieberoep?
De concrete bewijsroute over de concurrent was niet benut en mocht als prijsgegeven worden beschouwd. De andere verklaring voor omzetverlies was onvoldoende onderbouwd. Daardoor konden de juiste klachten geen vernietiging opleveren.
Heeft de Hoge Raad €831.974,83 aan de huurder toegekend?
Nee. Het arrest noemt dat bedrag als de vordering die in de schadestaatprocedure van belang was. De Hoge Raad verwierp het beroep tegen het hofarrest; hij kende niet zelf dat nieuwe bedrag toe.
Wat deed Alistair Knol in deze zaak?
Hij trad op als advocaat van de huurder in cassatie en lichtte diens zaak toe. De huurder verzocht om verwerping van het beroep en behield de bij het hof bereikte gunstige uitkomst.
Is een alternatieve oorzaak van schade nooit belangrijk?
Een alternatieve oorzaak kan juist van groot belang zijn. Zij moet wel voldoende concreet worden onderbouwd en in de procedure worden volgehouden. De bewijslastregel vervangt die feitelijke onderbouwing niet.
Bronnen
Een redactionele bespreking van Huurrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →